ABBA AHMED, DE TROMMELAAR VAN MA’RIB

De ruïnes van ‘De troon van Bilqis’ liggen er vredig bij als de zon opkomt boven de woestijn in Jemen. De Troon van Bilqis was bij veel toeristen ook bekend als de Tempel van Baran en nog meer van de toeristen voelden zich aangetrokken door ‘Het paleis van de koningin van Sheba’. Daar kwamen de toeristen voor naar Ma’rib. Daar werd een groot, ooit, goedlopend hotel voor gebouwd. Met kleine taxi busjes werden ze vanuit de stad de woestijn in gebracht. Een korte rit op de vroege morgen. In de middaguren is het te warm voor toeristen. Dan kwamen de toeristen terug naar de stad, naar het hotel waar Abba Ahmed dan speelde op zijn trom. Maar dat zijn lang vervlogen tijden. Tijden die voorlopig ook niet meer terugkeren.

“De ruïnes van de Troon van Bilqis zijn al jaren niet meer de enige ruïnes in Ma’rib en al helemaal niet meer in Jemen…”, dat is wat er op deze morgen door het hoofd van Abba Ahmed speelt als hij zijn mooiste hemd aantrekt. Een van de weinige kledingstukken die zijn gezin nog rijk is. Kleding gaat van de oudste naar de jongere en dan door naar de daarop jongste. Zijn vrouw Zaina versteld de kleding zo goed en kwaad als het kan. Geld voor nieuwe kleding is er niet.

Het hemd ligt keurig gevouwen in een kast, een verder zo goed als lege kast. Het is zijn enige hemd met borduursel op de mouwen. Een van de weinige bezittingen die Abba Ahmed nog rijk is. Dat en zijn Arabische trom, de dayereh. Maar dat is zijn gereedschap. En ja, daar is hij trots op. Maar zijn grootste trots is zijn vrouw Zaina en hun vijf kinderen. Drie zonen, Tarek, de oudste is veertien jaar, Amin is negen jaar en zijn jongste zoon is net zeven maanden oud. Vol geluk noemden zij hem Akeem, de wijze. En dan zijn er nog zijn beide dochters waar hij dol op is, Nura en Salma, respectievelijk acht en vijf jaar oud. Met stralende ogen kijkt hij toe terwijl zij spelen. Ze beginnen steeds meer op zijn grote liefde Zaina te lijken.

Dat is zijn gezin, zijn trots, maar ook zijn grootste zorg. Hij is de kostwinnaar, de enige kostwinnaar. En zijn enige bron van inkomsten is zijn dayereh, zijn trom. Abba Ahmed is trommelaar. De trommelaar van Ma’rib. Iedereen in Ma’rib kent hem. Hij speelt op bruiloften, feesten en partijen. In al de jaren die hij speelt heeft hij de stad en haar mensen leren kennen, en zij hem. En omdat iedereen hem kent, kon hij vroeger, voor de oorlog ook regelmatig in het hotel zijn trom laten horen. Dat was in de goede tijd. Maar die is niet meer, dat is verleden tijd, net als de toeristen. Eigenlijk is er niets meer te vieren. Die paar mensen die het zich nog kunnen permitteren, kunnen dat binnenkort ook niet meer. En dan?

De knopen van het hemd zitten waar ze horen te zitten. Voorzichtig haalt hij het oude doek dat over zijn dayereh gedrapeerd is ervan af. Liefdevol houden zijn handen dat vast wat voor brood moet zorgen, dat is alles wat hij en zijn familie hebben om te overleven. Overleven in een oorlog. Een oorlog waar hij, zijn vrouw en kinderen nooit om gevraagd hebben. Een oorlog waar hij en duizenden anderen voor gebeden hebben dat hij er nooit komen zou. Abba Ahmed en Zaina noemden hun jongste dochter Salma; de veilige, de vredige. Zij noemden haar Salma. Salma, in de hoop dat haar leven ook snel veilig en vredig zou zijn. Een smeekbede. Een tevergeefse smeekbede.

Maar al dat denken helpt Abba Ahmed niet, hij moet vooruit. De trommelaar van Ma’rib moet spelen. Hij moet op weg. Op weg naar een van de weinige feesten die er nog maar zijn. Met de dayereh onder zijn arm stapt hij naar buiten. Het licht in. Vanuit de koele, donkere kamer het warme licht in. De zon in, de zon die snel warmer wordt. Straks zal het rond de 40 graden zijn. Maar daar heeft de trommelaar van Ma’rib vandaag geen moeite mee. Hij is blij, hij kan geld verdienen voor zijn familie. Zijn een en alles. Het geld dat hij vandaag verdiend helpt hen weer even verder. Rijk worden ze niet. Maar te eten zullen zij de komende paar dagen wel weer hebben. Geen grote uitgebreide maaltijden. Allesbehalve. En wat heet maaltijden. Een karig maal per dag, dat is het. Meer is er niet. Wat meel, misschien wat dadels en wat geitenmelk voor de kinderen misschien. Heel misschien.

Hij loopt door het steegje voor zijn huis, nog een snelle blik naar zijn huis. Hij kijkt naar de huizen, de straat die ooit vol leven was, maar nu uitgestorven lijkt. Om de hoek ligt de marktplaats, ook daar is het leeg. Hij hoeft alleen de markt over en dan is er enkele steegjes verderop het huis waar hij zijn moet. Maar zover komt hij niet. Een lichtflits, een explosie en de trommelaar van Ma’rib is niet meer. Hij is het zoveelste slachtoffer van de oorlog in Jemen. Abba Ahmed ligt dood op het marktplein. Zijn levenloze lichaam ligt in een vreemde houding gewrongen op de gebarsten tegels. Maar ook in zijn dood houdt hij zijn dayereh nog liefdevol in de arm geklemd. Bizar? Ja, heel bizar. Maar de dood komt snel en onverwacht in een oorlog. Te snel. Te snel om los te laten wat je liefhebt.

Tarek, zijn oudste zoon van veertien staat even later op de markt en staart naar zijn dode vader. Het zijn maar secondes, secondes die uren lijken te duren. Als versteend staat Tarek aan de grond genageld. Zijn vader is dood. De trommelaar van Ma’rib is niet meer.

Tarek stapt op zijn vader af. Hij bukt zich voorover en neemt de dayereh vanonder zijn vaders arm. Hij, Tarek is nu de oudste. Hij, hij is nu de oudste man in het gezin. Veertien jaar oud is hij nu de kostwinnaar. Tarek is nu de trommelaar van Ma’rib. Dat speelt er door zijn nog jonge hoofd. Maar die gedachte is niet van lange duur. Het trommelvel is gescheurd. De dayereh is geen dayereh meer. De enige bron van inkomsten is niet meer. Ook de dayereh is nu een ruïne… net als de rest van het land… net als het gezin van Abba Ahmed. Abba Ahmed, de trommelaar van Ma’rib is niet meer.

Please follow and like us:
RSS
Follow by Email
Facebook
Twitter
Instagram
Help-Desk