CORRECTIE MIJNVERLEDEN UIT VIA LIMBURG

In de afgelopen tijd verschenen er twee artikelen in Via Limburg betreffende het mijnverleden in deze regio. Bij het eerste artikel bekropen ondergetekende stilletjes aan de kriebels. Na het het lezen van artikel 2 lijkt het hoog tijd om eens te reageren. Meer dan hoog tijd zelfs.

Lambert Rinkens, Landgraaf 15 oktober 2015, 18:17

Dat het mijnverleden nu verheerlijkt wordt daar zal menigeen zijn twijfels over hebben. Als men al over ‘ons’ mijnverleden spreekt of schrijft, schrijf en vermeldt dan ook de hele waarheid en laat die glorieuze bullshit in hemelsnaam achterwege.

In het eerste artikel heeft men het over de ‘geweldige’ veiligheid van de Nederlandse mijnen. Het aantal dodelijke slachtoffers lag lager dan in andere landen. Klopt, maar ze waren niet veiliger, ze waren iets minder onveilig. Dat komt al meer in de buurt van de waarheid. Maar vermeldt dan bovendien ook dat we het over statistieken hebben. Want daar zit namelijk het verschil.

Het verschil?

Het verschil is dat het hier over mijnwerkers gaat die op het terrein van de mijn omgekomen zijn. Verzwegen wordt dat er echt wel meer dan een dode mijnwerker naar boven is gehaald die later zogenaamd onderweg naar het ziekenhuis in de ambulance overleden zou zijn. Die gevallen vallen dus buiten de statistiek wat dat betreft. De reden om dat toendertijd zo te doen was simpelweg een geldkwestie. Letterlijk en figuurlijk een verzekeringskwestie. ‘Onderweg naar het ziekenhuis overleden’ scheelde het mijnbedrijf gewoonweg een bom aan duiten. Een mijnwerker die ‘onderin’ omkwam koste het bedrijf het volle pond. Overleden bovengronds op het mijnterrein scheelde al behoorlijk in de kosten en buiten het mijnterrein was de goedkoopste optie voor het bedrijf. Oftewel; corrupte zooi dus.

Nemen we het tweede artikel. ‘Het beter verzorgen van wonden …..met name het verzuim daalde spectaculair, met 60% per maand… ook het aantal amputaties daalde sterk…. gevolg was dat er minder gezinnen in de armoede terecht kwamen….’. Het beter verzorgen van wonden gebeurde echt niet omdat men het welzijn van de kompel in gedachte had. De man moest productie leveren, zo of zo. Of hij op zijn 55ste of 57ste de pijp uitging interesseerde het mijnbedrijf geen hol. Dat de mijnwerker en zijn familie dan met een karige uitkering of pensioentje achterbleven interesseerde ze idem dito geen hol.

Bij deze tekst en uitleg die in het artikel vermeden wordt. Het mijnbedrijf interesseerde de armoede van de mijnwerker geen malle moer, in tegendeel. Hoe armer de mijnwerker, hoe meer hij afhankelijk was van het mijnbedrijf. Hoe armer de mijnwerker hoe rijker het bedrijf. Dat is de waarheid. Meer is er niet. De mijn regelde alles, maar dan ook alles om de mijnwerker én in het gareel te houden én afhankelijk van het mijnbedrijf te houden. De mijnen beschikten ook over een eigen mijnpolitie. En die functioneerde niet alleen op het mijnterrein. Die deed vooral haar werk in de zogenaamde kolonie, of te wel de mijnwerkerswijk. Hoofdtaak: in de gaten houden dat de mijnwerker geen ‘rooie’ werd. Een samenwerking tussen mijnbedrijf, kerk en staat zorgde er verder voor dat de kompel en zijn familie gewoonweg moderne slaven waren.

Voor de jongens: na de lagere school naar de OVS (Ondergrondse Vak School) en dan op je 15de de mijn in. Voor de meisjes: lagere school en dan de huishoudschool, leren koken en strijken. Daarna een huwelijk met een mijnwerker en jonge mijnwerkers of mijnwerkersvrouwen op de wereld zetten. Dat was de toekomst van mijnwerkerskinderen.

Enkele ‘leuke’weetjes. De mijnwerker huurde een huis van de mijn, deed zijn boodschappen in winkels die eigendom waren van de mijn. Hij stookte zijn huis met kolen van de mijn. De kosten daarvan werden meteen van het loon ingehouden.

In Brunssum werkte een huisarts die van het mijnbedrijf destijds fl 2,50 ontving per mijnwerker die hij gezond verklaarde. Echt niet meer moelijk om in te vullen wat het gevolg daarvan was.

Honderden, zo niet duizenden mijnwerkers hadden ook geen stoflongen. Nee, hoor. Zij hadden allemaal bronchitis. Welk een verbijsterend toeval. Wel een financieel gunstig toeval voor het mijnbedrijf, dat dan weer wel. Mijnwerkers werkten jaren achtereen open en bloot met asbest, terwijl de risico’s en gevolgen daarvan heus wel bekend waren bij de mijndirectie.

Mensen die over de mijn schrijven mogen vijftig jaar na dato heus wel de héle waarheid schrijven. Het niet vermelden van de wijze waarop de kompels en hun familie’s toen werden uitgemolken is misselijkmakend. Het is een slag in het gezicht van die mijnwerkers, hun familie en hun geschiedenis.

Er is maar een positief iets waar mijnwerkers het over eens waren. Dat was de kameraadschap onderling aan het kolenfront. Een kameraadschap die overigens afgedwongen werd door de gemeenschappelijke levensgevaarlijke arbeidsomstandigheden. Kompels moesten op mekaar kunnen vertrouwen en bouwen. Het woord front in kolenfront zegt eigenlijk alles.

Tot slot. Beste schrijver van het glorieuze Limburgse mijnverleden. Ga eens langs bij de kinderen van iemand die aan stoflongen gestorven is. Ga daar eens je mooie verhaal afsteken. Een kleine tip vooraf. Een mijnwerker sterft niet aan stoflongen. Een mijnwerker krepeert aan stoflongen. Dat is namelijk geen sterven. En daar, bij die mensen, mag je dan de loftrompet over het mijnverleden afsteken. Veel plezier zou ik zeggen.

Please follow and like us:
RSS
Follow by Email
Facebook
Twitter
Instagram